Toeval bestaat niet.
Hoofdstuk 53
Het kon eigenlijk niet anders, maar toen Anita de definitieve bevestiging gaf dat de gevonden haren en verfschilfers inderdaad van Apollo van Rijn afkomstig waren, voelde dat toch als een enorme opluchting. De hoeveelheid aangetroffen materiaal vertelde bovendien nog iets anders. Apollo was hier niet slechts een paar dagen geweest om een schilderij af te leveren; hij had langere tijd op deze plek gewerkt en geleefd.
"Ik heb het gevoel dat er op de Lauriergracht een belangrijk puzzelstuk ligt," zegt Anita terwijl ze de onderzoeksrapporten nog eens doorneemt.
Antoinette knikt instemmend.
"Het kan toch bijna geen toeval zijn dat hij hier 'Pluisje en haar blik op Amsterdam' heeft geschilderd, terwijl een paar meter verderop aan dezelfde gracht het Schildershuis stond."
Ik denk even na.
“Wat me ook niet lekker zit is dat schilderij van Ferdinand Bol met Pluisje dat hier gevonden is. Dat is geschilderd in 1656, toen had Rembrand zijn atelier nog. Er is voor dat schilderij dus geen link met het huis van de familie Jansen of het Schildershuis”.
Jessica vindt het sowieso een raar verhaal, "Nam hij Pluisje dan gewoon mee over straat?"
Ik moet glimlachen.
"Nou Jessica, ze zijn samen helemaal naar Parijs gelopen. Dan zullen die paar meter over de Lauriergracht ook geen enkel probleem zijn geweest."
Jessica knikt alsof dat eigenlijk de normaalste zaak van de wereld is.
Antoinette schuift haar notitieboek naar voren.
"Ik stel voor dat we in het Kadaster gaan uitzoeken wie door de eeuwen heen eigenaar of huurder van dat huis is geweest. Tot nu toe weten we alleen dat de familie Jansen het in 1972 heeft gekocht van een oudere man die toen naar een verzorgingshuis verhuisde."
Het is een logisch vervolg van het onderzoek. Misschien ligt daar wel de ontbrekende schakel waar we al zo lang naar zoeken.
Zoals zo vaak vliegt Jessica later die week mijn kantoor binnen.
"Ik heb nou toch iets bijzonders meegemaakt!"
Deze keer draagt ze geen schilderij, geen lijst en ook geen vondst van het Waterlooplein onder haar arm. Het moet dus iets anders zijn.
"Vertel."
Ze straalt.
"Theo Boskamp en ik hebben inmiddels een rela."
Ik kijk haar fronsend aan.
"Een... wat?"
Ze schiet in de lach.
"Jullie noemden dat vroeger gewoon verkering."
Nu begrijp ik het.
"Ik begin inderdaad oud te worden."
"Dat dacht ik al," grijnst ze.
Daarna wordt ze weer serieus.
"Gisteren waren we op bezoek bij zijn overgrootopa in het verzorgingshuis. Op zijn kamer hing een reproductie van een schilderij uit het Rijksmuseum. Daardoor kwamen we vanzelf op het museum terecht."
"En?"
"Hij vertelde dat hij vroeger hetzelfde werk deed als Theo. Magazijn, postkamer, intern transport... dat soort werkzaamheden."
Ik voel ineens een vreemd voorgevoel.
"Hoe heet die man?"
Jessica haalt haar schouders op.
"Geen idee, opa."
Ze pakt direct haar telefoon en belt Theo.
"Hoe heet jouw overgrootopa eigenlijk?... Ja... Oké."
Ze verbreekt de verbinding.
"Jacob van Veenendaal."
Ik kijk haar verbaasd aan.
"Die ken ik."
"Hoezo?"
"Die heb ik helemaal aan het begin van ons onderzoek ontmoet. Hij vertelde mij destijds over de ontbrekende kist met schilderijen die na de Tweede Wereldoorlog vanuit de mergelgrotten in Limburg terugkeerde. Volgens hem ontbrak er één."
Jessica kijkt mij nu minstens zo verbaasd aan als ik haar.
"Dat wordt nog gekker."
Ze gaat weer zitten.
"Toen ik vertelde dat wij deze week onderzoek hadden gedaan aan de Lauriergracht, zei hij ineens dat hij daar als kind had gewoond."
Ik voel mijn hartslag iets versnellen.
"Serieus?"
Ze knikt.
"Zijn ouders woonden in dat huis. Hij heeft zelfs nog geholpen met de verhuizing toen zijn vader naar een verzorgingshuis ging. Volgens hem was het huis al generaties lang in bezit van de familie."
Ik kijk Antoinette aan.
Zij denkt precies hetzelfde als ik.
"Is hij ooit op zolder geweest?"
"Dat heb ik natuurlijk meteen gevraagd," antwoordt Jessica. "Maar volgens hem was er vroeger helemaal geen trap naar de zolder. Die ruimte was afgesloten en werd nooit gebruikt."
Er valt een lange stilte.
Iedereen lijkt dezelfde gedachte te hebben.
Een huis waarin Apollo van Rijn waarschijnlijk langere tijd heeft gewerkt.
Een afgesloten zolder.
Een familie die er eeuwenlang heeft gewoond.
En nu blijkt de man die mij ooit op het spoor zette van de verdwenen kist óók precies daar te zijn opgegroeid. Ik geloof niet in toeval.
En in dit onderzoek beginnen de toevalligheden zich inmiddels zo op te stapelen, dat ze eigenlijk geen toeval meer kunnen zijn.
Let op: De Legende van Apollo van Rijn is een fictief verhaal. Lees meer op de pagina Over dit project.
Vond je dit leuk om te zien? Meld je aan voor de nieuwsbrief en mis geen enkele update.