Terug naar Antwerpen
Jessica's woorden bleven door mijn hoofd malen.
"Die herken ik."
"Nee," zei ze rustig. "Niet déze poes... maar dit gezicht." ."
"Ik heb dat gezicht vanochtend al gezien." ."
"Waar?" ."
"In jouw schetsboek." ."
"Die lijkt eigenlijk ook een beetje op Pluisje." ."
Hoe vaker ik eraan dacht, hoe minder ik het als een toevallige opmerking kon afdoen. Jessica had de schetsen nauwelijks een paar minuten bekeken en legde direct een verband tussen de kat in het schetsboek en de kat op het schilderij dat we in Antwerpen hadden gezien.
En dan was er nog iets.
De hondenharen.
Waarom zaten er tussen de kattenharen ook haren van een grote hond? Destijds had ik die vraag wel gesteld, maar nooit echt doorgevraagd. Nu voelde het alsof ik een belangrijk detail had gemist.
Ik belde Anita.
"Anita, ik heb eigenlijk nog één vraag."
"Vraag maar." ."
"Zit er verschil in ouderdom tussen de schetsen? Ik bedoel... zijn ze misschien over een langere periode gemaakt?"
Aan de andere kant van de lijn bleef het even stil.
"O, had ik dat niet verteld?" ."
"Nee." ."
"Alle schetsen zijn met dezelfde ganzenveer en dezelfde houtskool gemaakt. We hebben de slijtage van de pen, de druk van de lijnen en de samenstelling van de houtskool onderzocht. Alles wijst erop dat ze in één sessie zijn gemaakt. Hooguit verdeeld over een paar uur."
"Dus niet jaren later?" vroeg ik nog eens voor de zekerheid.
"Nee," antwoordde Anita. "Alles wijst erop dat de schetsen in dezelfde periode zijn gemaakt. Waarschijnlijk zelfs op dezelfde dag."
Ik legde mijn telefoon neer en staarde een tijdje voor me uit.
Dat veranderde alles.
Tot nu toe was ik ervan uitgegaan dat de minder verfijnde schetsen misschien jaren later waren toegevoegd door een leerling of een latere eigenaar van het schetsboek. Maar als Anita gelijk had, moesten beide tekenaars tegelijkertijd aan het werk zijn geweest. De meester en de leerling hadden dus naast elkaar gezeten, met dezelfde ganzenveer, dezelfde houtskool en waarschijnlijk dezelfde modellen voor zich.
Er was nog maar één plek waar ik antwoord kon vinden.
Ik moest terug naar Antwerpen.
Een oude bekende
Boekhandel Jacob zag er nog precies hetzelfde uit als tijdens mijn vorige bezoek. De scheve etalage, de vergeelde boeken en de karakteristieke geur van oud papier gaven de winkel nog altijd iets tijdloos.
Jacob keek op, glimlachte en herkende me direct.
"Ik vroeg me al af of je nog eens terug zou komen."
"Ik heb nog wat vragen over dat schetsboek."
Hij knikte.
"Dat dacht ik al."
Terwijl hij naar achteren liep, verdween hij even uit het zicht.
Niet veel later kwam hij terug met twee losse vellen perkament.
"Deze vond ik tijdens het opruimen."
Voorzichtig legde hij ze op de toonbank.
"Ze zaten waarschijnlijk ooit in hetzelfde schetsboek. Ze waren tussen een stapel oude boeken terechtgekomen."
Ik keek naar de tekeningen.
Twee indrukwekkende Newfoundlanders.
Geen vluchtige schetsen, maar uiterst nauwkeurige studies. Elke spier, elke haarstructuur en iedere schaduw was zorgvuldig uitgewerkt.
Onder de tekening stond in sierlijke letters geschreven:
Canis Terrae Novae, duo ad vivum delineavit 1650.
Vrij vertaald:
"Newfoundlanders, twee exemplaren naar het leven getekend, 1650."
De tweede pagina bestond uit detailstudies.
Een kop.
Een neus.
Een oor.
Een enorme poot.
Alsof de tekenaar elk onderdeel afzonderlijk had willen bestuderen voordat hij aan het uiteindelijke werk begon.
"Wat krijg je nog van me?" vroeg ik.
Jacob lachte.
"Die duizend euro die je de vorige keer betaalde was meer dan eerlijk."
Hij schoof de tekeningen naar me toe.
"Beschouw ze maar als een late aanvulling."
Een tweede blik
Met de nieuwe schetsen veilig opgeborgen liep ik opnieuw naar het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten. Deze keer sloeg ik de grote zalen bijna achteloos over. Ik wist precies waar ik moest zijn. Voor Voedster van de schilders van Theodoor Boeyermans bleef ik opnieuw staan.
Ik haalde de schets van de kat uit mijn map.
Voorzichtig hield ik beide naast elkaar.
Hetzelfde profiel.
Dezelfde krachtige snuit.
De opvallend brede wangen.
En vooral die alerte blik, alsof de kat ieder moment van het doek af kon springen.
Ik stapte dichterbij.
Nog dichter. Nu bekeek ik alleen de kop. Ik moest onwillekeurig glimlachen.
Dit kon bijna geen toeval meer zijn. Misschien keek ik wel naar precies dezelfde kat.
Niet een vergelijkbare Maine Coon. Niet een afstammeling. Maar hetzelfde dier dat ooit model had gestaan voor zowel de schets als het schilderij.
Dat zou betekenen dat de maker van de schets zich daadwerkelijk in Antwerpen had bevonden.
Misschien zelfs in hetzelfde atelier.
Misschien zelfs op dezelfde dag.
Een goed glas
Toen ik het museum verliet, begon de avond langzaam over Antwerpen te vallen.
Op een terras aan een van de pleinen bestelde ik een Duvel.
Ik zette de map met de schetsen voorzichtig naast me neer.
Terwijl de eerste slok over mijn tong gleed, keek ik tevreden om me heen.
De aanwijzingen waren nog altijd klein.
Maar samen begonnen ze een overtuigend verhaal te vertellen.
Apollo van Rijn was vrijwel zeker in Antwerpen geweest.
En ergens in deze stad wachtte misschien wel de volgende aanwijzing die zijn verhaal definitief zou veranderen.
Let op: De Legende van Apollo van Rijn is een fictief verhaal. Lees meer op de pagina Over dit project.
Vond je dit leuk om te zien? Meld je aan voor de nieuwsbrief en mis geen enkele update.