De Legende van Apollo van Rijn

De verloren meester teruggevonden

In een ander daglicht

Hoofdstuk 65

De vondst van de rapportage van de schout en het bijpassende krantenartikel zorgt ervoor dat we opnieuw naar het schilderij kijken waarop Elvis, gehuld in prachtige schutterskleding, zo nadrukkelijk de show steelt. Wat eerst vooral een opmerkelijk en misschien zelfs amusant detail leek, krijgt ineens een heel andere betekenis.

Door zijn optreden tijdens een ordinaire caféruzie was Elvis onder de aandacht gekomen van de plaatselijke gezagsdragers. Een grote, zwarte Newfoundlander die zonder aarzelen ingreep toen mensen elkaar te lijf gingen en daarbij vooral zijn indrukwekkende voorkomen en kalmte gebruikte om de rust te herstellen. Dat zo'n hond vervolgens de belangstelling van de schutterij wekte, is eigenlijk helemaal niet zo vreemd.

Daar kwam nog iets bij.

Het artikel in de Haeghsche Post-Tydingen moet binnen het schuttersgilde beslist gelezen zijn. Kranten waren schaars, maar nieuws over een bijzondere gebeurtenis verspreidde zich snel. Zeker wanneer het ging over een hond die zich tijdens een vechtpartij zo opvallend had gedragen. Misschien was het artikel zelfs wel de aanleiding geweest om Elvis eens van dichtbij te bekijken.

Ik moet glimlachen om de gedachte die zich langzaam bij me opdringt.

Misschien was Elvis wel de eerste politiehond.

Natuurlijk is dat een anachronisme. Niemand sprak in die tijd over politiehonden en er bestonden geen gespecialiseerde opleidingen zoals die eeuwen later zouden ontstaan. Maar het idee dat een hond die zelfstandig ingrijpt, mensen uit elkaar weet te houden en kennelijk onder moeilijke omstandigheden volledig beheerst blijft, eeuwen later navolging heeft gekregen in duizenden speciaal voor politiewerk opgeleide honden, vind ik prachtig. Hoe meer ik me in het leven van Apollo van Rijn verdiep, hoe meer ik ervan overtuigd raak dat Elvis een heel bijzondere hond moet zijn geweest.

We hebben altijd aangenomen dat Hendrik Haringh de beschermer van Apollo en zijn reizende gezelschap was. De man die deuren opende, contacten onderhield en ervoor zorgde dat Apollo zijn werk kon doen.

Maar misschien hebben we daarbij iets over het hoofd gezien.

Misschien was Hendrik Haringh de man die voor hen zorgde, terwijl Elvis degene was die hen beschermde.

Een stille metgezel die overal mee naartoe ging. Een hond die niet alleen opviel door zijn enorme gestalte, maar ook door zijn gedrag. Een dier dat blijkbaar het vertrouwen van mensen wist te winnen en misschien zelfs een plaats kreeg binnen de Haagse schutterij.

Het is een gedachte die ik voorlopig nog maar even laat liggen.

Niet alles hoeft meteen bewezen te worden.

Het Lange Voorhout in Den Haag een schilderij van Apollo van Rijn uit 1670.

En dan is daar ineens de vondst van twee prachtige schilderijen.

Het Kunstmuseum in Den Haag begint zijn geheimen prijs te geven.

Bij het eerste schilderij klopt werkelijk alles.

De handtekening.

De compositie.

Het kleurgebruik.

Zelfs de manier waarop de penseelstreken zijn aangezet.

Het is alsof we inmiddels zo vertrouwd zijn geraakt met het werk van Apollo dat we hem bijna aan zijn handschrift herkennen. Geen enkele aanwijzing staat op zichzelf, maar alles samen vormt een overtuigend geheel.

Op de achterzijde staat slechts een korte tekst:

Ik kijk nog eens naar het schilderij.

Apollo is hier niet meer de schilder die toevallig een paar Haagse stadsgezichten maakt. Dit voelt anders. Alsof Den Haag inmiddels een vaste plaats in zijn leven heeft gekregen.

Het tweede schilderij bevestigt dat gevoel alleen maar.

Ook hier herkennen we de kenmerken die we inmiddels zo goed kennen. De compositie, de kleuren, de manier waarop het licht over de stad valt en vooral die typische penseelvoering die we steeds opnieuw bij Apollo tegenkomen.

Haags stadsgezicht aan de vaart.

Op het schilderij zien we, naar ik aanneem, de Loosduinsevaart waar deze Den Haag binnenkomt.

Het is geen spectaculair tafereel.

Juist daardoor is het zo mooi.

Een stukje van de stad zoals Apollo het zelf moet hebben gezien.

Op de achterkant staat opnieuw een eenvoudige aanduiding:

Twee schilderijen.

Twee jaartallen.

En opnieuw Den Haag.

We beginnen ons inmiddels af te vragen of Apollo hier veel langer is geweest dan we aanvankelijk dachten. Vlak voordat we de dag willen afsluiten, komt Jessica met nog een schilderij aangelopen.

Ze zet het voorzichtig tegen de tafel en kijkt ons aan.

“Deze wil je ook nog zien.”

Anita draait zich om.

“Wat hebben we nu?”

Jessica draait het schilderij een stukje zodat het licht er beter op valt.

Ik hoef eigenlijk maar een paar seconden te kijken.

De handtekening staat duidelijk zichtbaar in de hoek.

Anita komt dichterbij.

“Dat meen je niet.”

Jessica grijnst.

“Dat meen ik wel.”

Ook dit is onmiskenbaar Apollo van Rijn.

Maar dit keer geen portret.

Geen landschap.

Geen stadsgezicht.

Het schilderij laat een doorkijkje zien van binnen naar buiten. Een interieur waarbij het oog als vanzelf door een opening naar de wereld daarachter wordt geleid.

En ook dat hebben we eerder gezien.

Apollo heeft dit soort composities al eerder gebruikt. Het is bijna alsof hij verschillende manieren heeft gevonden om de grens tussen binnen en buiten te laten verdwijnen.

Ik kijk naar het schilderij en dan naar de andere twee.

“Hij heeft hier zijn draai gevonden,” zeg ik zacht.

Anita knikt.

“Dat begint er inderdaad op te lijken.”

Even blijft het stil.

Dan kijkt Anita de ruimte rond, naar de schilderijen die tegen de muren staan, naar de werken die nog onderzocht moeten worden en naar Jessica, die nog steeds naast haar vondst staat.

“Hoeveel schilderijen hebben we nu gevonden?” vraagt ze hardop.

Jessica hoeft niet na te denken.

“Zes.”

Anita kijkt me aan.

“Zes.”

Ze zegt het alsof ze het aantal even moet laten bezinken.

“Dan wordt het misschien tijd dat we stoppen met zoeken.”

Ik kijk haar verbaasd aan.

“Stoppen?”

“Voorlopig,” zegt ze. “We kunnen niet eindeloos blijven vinden zonder eerst goed vast te leggen wat we hebben gevonden.”

Daar heeft ze gelijk in.

We zijn inmiddels zo diep in het onderzoek terechtgekomen dat iedere vondst automatisch tot een nieuwe vraag leidt. En iedere nieuwe vraag leidt weer naar een volgend schilderij, een volgende naam of een volgend archiefstuk.

“Deze zes moeten naar Amsterdam,” zegt Anita. “Ik wil ze daar uitgebreid laten onderzoeken. Pigmenten, drager, verfopbouw, penseelvoering, alles. En vooral de handtekeningen. We hebben inmiddels genoeg materiaal om echte vergelijkingen te maken.”

Jessica kijkt naar de zes schilderijen.

“Dus we gaan terug?”

Anita glimlacht.

“Voor even.”

Ze pakt haar notitieboekje en begint de vondsten op een rij te zetten.

“Eerst alles archiveren. Goed fotograferen. Beschrijven. Onderzoeken. Geen losse eindjes meer.”

Ik kijk nog eenmaal de ruimte rond.

Het voelt vreemd om hier weg te gaan.

We kwamen naar Den Haag met het idee dat we misschien één of twee schilderijen zouden vinden.

Nu staan er zes.

Zes stukken die allemaal iets lijken te vertellen over het leven van Apollo van Rijn.

En toch hebben we het gevoel dat we nog maar net zijn begonnen.

Anita klapt haar notitieboekje dicht.

“Daarna,” zegt ze, “komen we terug.”

Niemand hoeft te vragen wat ze bedoelt.

We zijn nog lang niet klaar met Den Haag.

Het Heilige Geest hofje Den Haag gezien vanuit het Spinozahuis

Let op: De Legende van Apollo van Rijn is een fictief verhaal. Lees meer op de pagina Over dit project.

« Vorige Inhoud Volgende »

Vond je dit leuk om te zien? Meld je aan voor de nieuwsbrief en mis geen enkele update.