De Legende van Apollo van Rijn

De verloren meester teruggevonden

Het Complot

Hoofdstuk 70

Het werkoverleg van deze ochtend moet vooral duidelijk maken waar we staan. En misschien nog belangrijker: waar we vanaf hier naartoe moeten.

Den Haag heeft boven verwachting veel opgeleverd. Meer schilderijen, meer aanwijzingen en vooral meer puzzelstukjes die langzaam op hun plaats lijken te vallen. Maar voor het eerst hebben we ook iets anders in handen: een concrete aanwijzing dat er schilderijen van Apollo bestaan die we nog niet hebben gevonden.

Natuurlijk bestaat de kans dat deze werken na ruim driehonderdvijftig jaar niet meer bestaan.

Maar daar besluiten we voorlopig maar niet aan te denken.

Anita glimlacht en neemt als eerste het woord.

“Ik heb in 'Elvis in Schutterskledij' iets ontdekt. Niet wereldschokkend hoor. Eigenlijk meer een leuk weetje.”

Ze kijkt de kring rond.

“Jullie weten dat Apollo een bijzondere sgraffitotechniek gebruikte. Met een beschadigde penseelpunt kon hij die extreem dunne lijnen in de verf trekken. We hebben altijd aangenomen dat die beschadigingen bewust aan zijn penselen waren aangebracht. Maar ik heb tussen de verflagen een microscopisch klein houtfragment gevonden.”

Tekening van Apollo van Rijn die op de achterkant van een penseel kauwt.

Ze laat even een stilte vallen.

“En daaruit blijkt dat de grote Apollo van Rijn gewoon de achterkant van zijn penseel in zijn mond had en erop kauwde.”

Jessica kijkt haar verbaasd aan.

“Een zenuwentrek?”

“Nagelbijten voor katten,” zegt Anita droog.

“Een kat heeft geen duim, dus…”

“Stop.”

Ik steek mijn hand op voordat de melige opmerkingen volledig uit de hand lopen.

“Terug naar Apollo.”

Anita knikt en schuift haar aantekeningen iets dichter naar zich toe.

“Antoinette is ondertussen op zoek gegaan naar logische plaatsen waar we zouden kunnen gaan zoeken naar de twee ontbrekende schilderijen: 'Apollo in Schutterskledij' en het portret van Benedictus de Spinoza.”

Antoinette neemt het over.

“Uit de briefjes weten we dat Apollo beide schilderijen ter expositie heeft ingeleverd bij de Confrérie Pictura. Logisch dus om daar te beginnen.”

Ze wijst op een overzicht dat voor haar ligt.

“Na de oprichting in 1656 was de Confrérie gevestigd in de Boterwaag hier in Den Haag. Rond 1680 verhuisde men naar het Koorenhuis. Daar kwam later ook de Haagsche Teekenacademie terecht, die in 1682 werd opgericht. En veel later, in 1847, verschijnt ook Pulchri Studio in dit verhaal. Die zetelde in de beginjaren in het Hofje van Nieuwkoop en verhuisde in 1887 naar de Lange Voorhout, waar ze nog steeds zit.”

Jessica fronst haar wenkbrauwen.

“Dat zijn nogal wat verhuizingen.”

“Precies,” zegt Antoinette. “En ik denk eigenlijk dat we daar een probleem mee hebben. Als die schilderijen al die tijd in handen van instellingen zijn gebleven, zouden ze waarschijnlijk ergens geregistreerd zijn geweest. Ik kan me moeilijk voorstellen dat twee werken van Apollo, als ze eenmaal bekend waren binnen de Haagse kunstenaarswereld, telkens ongemerkt mee verhuisden.”

“Dus?” vraag ik.

“Als ik moet gokken,” zegt ze, “zou ik me voorlopig concentreren op de Boterwaag en het Koorenhuis. Beide gebouwen staan er nog dus dat vergroot de mogelijkheid.”

Ze bladert een pagina verder.

“Een andere mogelijkheid is dat het portret van Spinoza via zijn nabestaanden of bekenden een andere weg heeft afgelegd. Maar dat lijkt me onwaarschijnlijk. Zij hebben natuurlijk niets te maken met het zelfportret van Apollo. Bovendien is de laatste én enige bekende locatie van beide werken de Boterwaag.”

Ze kijkt ons aan.

“Ik zie geen logische reden waarom die twee schilderijen vervolgens ieder hun eigen weg zouden zijn gegaan.”

Het blijft even stil.

Schilderijen werden in 1672 op de Grote Markt in brand gestoken.

Na de dood van Johan de Witt was alles wat met Spinoza te maken had bepaald niet populair. Zijn ideeën waren omstreden en in de verhitte sfeer van die tijd kon een portret van hem gemakkelijk als provocatie worden gezien.

“Het is dus toch voorstelbaar,” zegt Antoinette, “dat zijn portret is vernietigd. Of juist ergens veilig is opgeborgen.”

“En Apollo dan?”

De vraag komt van Jessica.

Antoinette kijkt haar aan.

“Dat is precies het interessante. Als men het portret van Spinoza wilde laten verdwijnen, hoefde dat niet noodzakelijk voor Apollo zelf te gelden. Maar als Apollo bekendstond als een vriend of bewonderaar van Spinoza, dan kan hij wel degelijk als zondebok zijn gezien.”

“En in zo'n periode deden woedende mensen rare dingen,” merk ik op.

Niemand spreekt dat tegen.

Antoinette schuift haar bril iets hoger op haar neus.

“Nu ik erover nadenk…”

Ze pakt een map.

“In die kist met oude briefresten die Jessica heeft gevonden, zat ook een stuk uit de notulen van de Confrérie Pictura, gedateerd oktober 1672. Ik heb het destijds vluchtig bekeken omdat ik dacht dat het om een gewone administratieve aantekening ging.”

Ze zoekt even.

“Maar er staat iets vreemds in.”

Ze legt een kopie op tafel.

“Er wordt plotseling betaald voor vier extra vaten kalk en metselstenen.”

“En?”

“Dat klopt niet met de rest van de administratie.”

Jessica buigt zich naar voren.

“Waarom niet?”

“Omdat er in die periode geen verbouwing staat geregistreerd.”

Antoinette tikt met haar vinger op het papier.

“En er is nog iets.”

Ze kijkt ons een voor een aan.

“De namen van de gildebroeders die de bon hebben ondertekend vormen een acrostichon. De eerste letters van hun namen spellen het Latijnse woord 'CAECA'.”

“Wat betekent dat?” vraagt Jessica.

“Blind,” zegt Antoinette. “Of verborgen.”

Niemand zegt iets.

“Waarschijnlijk betekent het helemaal niets,” vervolgt ze snel. “Het kan gewoon een toevalligheid zijn. of een grap van een zeventiende-eeuwse gildebroeder. Maar…”

“Maar?” vraag ik.

“Maar als je eenmaal weet waar je naar kijkt, ga je toch anders naar zo'n notitie kijken.”

Ze laat het papier langzaam zakken.

“Vier vaten kalk. Metselstenen. Geen geregistreerde verbouwing. En dan de naam 'CAECA'.”

Jessica kijkt naar mij.

“Je gaat toch niet zeggen dat ze iets hebben dichtgemetseld?”

“Dat zeg ik niet,” antwoordt Antoinette.

“Maar je denkt het wel.”

Antoinette glimlacht.

“Ik zeg alleen dat het een interessante zeventiende-eeuwse complottheorie zou zijn.”

Ik wil reageren, maar Antoinette is nog niet klaar.

“En dan is er nog iets wat ik vreemd vind.”

Ze pakt een tweede vel papier.

“In 1844 nam de Haagse schutterij haar intrek in de Boterwaag.”

Jessica kijkt op.

“De schutterij?”

“Ja.”

Antoinette knikt.

“Bijna tweehonderd jaar nadat Apollo daar zijn schilderijen ter expositie had aangeboden.”

Ze haalt haar schouders op.

“Het kan natuurlijk puur toeval zijn. Waarschijnlijk is het dat ook.”

Ze kijkt naar het vel papier.

“Maar als we toch al complotten aan het verzinnen zijn…”

Jessica begint te lachen.

“Wacht eens even.”

Ze steekt haar hand op alsof ze zojuist een examen heeft opgelost.

“Weet je wat pas toevallig is?”

Iedereen kijkt haar aan.

“Ik ken de barkeeper.”

“Van de Boterwaag?” vraag ik.

“Ja.”

Ze grijnst.

“De Boterwaag is tegenwoordig een stadscafé. En Kees is daar barkeeper.”

Er valt een stilte.

Anita kijkt naar Antoinette.

Antoinette kijkt naar mij.

Ik kijk naar Jessica.

“En wat wil je daarmee zeggen?”

Jessica haalt haar schouders op.

“Dat we misschien niet eens naar het Koorenhuis hoeven.”

Ze pakt haar telefoon.

“We kunnen gewoon aan Kees vragen of hij toevallig weet of er ergens in de Boterwaag een oude muur staat.”

Niemand lacht.

Dat is misschien nog wel het meest verontrustende van alles.

Tekening van de Boterwaag in Den Haag rond 1650

Let op: De Legende van Apollo van Rijn is een fictief verhaal. Lees meer op de pagina Over dit project.

« Vorige Inhoud Volgende »

Vond je dit leuk om te zien? Meld je aan voor de nieuwsbrief en mis geen enkele update.