De Legende van Apollo van Rijn

De verloren meester teruggevonden

Deur 27 x

Hoofdstuk 71

Jessica laat er geen gras over groeien. Diezelfde middag zit ze al in de Boterwaag. Via haar vriend Theo had ze vooraf geïnformeerd of hij die middag bardienst had. Theo kent Kees al jaren en via hem was ook Jessica bevriend met hem geraakt.

Wanneer Jessica begint te vertellen over het onderzoek waar ze mee bezig is en uitlegt hoe de Boterwaag daarin ter sprake is gekomen, luistert Kees aandachtig.

‘In de kelders zitten inderdaad allerlei vreemde stukken metselwerk,’ zegt hij. ‘Maar wat verwacht je? Dit gebouw is al een paar honderd jaar oud. In vier eeuwen is er natuurlijk van alles verbouwd, dichtgemetseld en weer opengebroken.’

Hij haalt zijn schouders op.

‘Maar als je écht de sterke verhalen over dit pand wilt horen, moet je niet bij mij zijn.’

Kees wijst vrijwel onopvallend met zijn duim naar het tafeltje achter hen.

‘Praat eens met Herman daar. Tweeënzeventig. Zit hier volgens mij al zijn hele leven en kent iedere stoeptegel in Den Haag. Maar pas op... hij ziet in iedere schaduw een complot.’

Jessica draait zich om.

Aan een tafeltje zit een oudere man verdiept in een historisch tijdschrift. Hij heeft zijn bril laag op zijn neus staan en lijkt volledig op te gaan in wat hij leest.

Jessica besluit de gok te wagen.

Jessica in gesprek met Herman over de geheime gangen onder Den Haag.

Ze pakt haar glas en schuift bij hem aan.

Na een korte kennismaking vertelt ze wie ze is en waar ze onderzoek naar doet. Ze noemt Spinoza, Apollo van Rijn en de schilderijen die ze probeert te traceren.

Bij het horen van die namen verandert Hermans blik onmiddellijk.

Hij doet zijn bril af.

‘Apollo van Rijn?’

Jessica knikt.

Herman kijkt haar een paar seconden zwijgend aan. Dan buigt hij langzaam naar voren.

‘Gangen onder de Boterwaag?’

Zijn stem is plotseling zachter geworden. Hij kijkt eerst naar de bar en vervolgens over zijn schouder alsof hij wil controleren of niemand meeluistert.

‘Dat is geen fictie, meid. Dat is de rauwe werkelijkheid die de gemeente al eeuwen in de doofpot probeert te houden.’

Jessica zegt niets.

Herman ziet aan haar gezicht dat hij haar aandacht heeft.

‘Vlak na de moord op De Witt,’ fluistert hij, ‘is het hele ondergrondse netwerk van Den Haag gebruikt door het schuttersgilde en vertrouwelingen van de macht. Onder deze vloer ligt een stelsel van gangen. Sommige lopen onder de straat door, richting ’t Goude Hooft.’

Jessica voelt hoe haar nieuwsgierigheid het wint van haar gezond verstand.

‘En verder?’

Herman glimlacht.

‘Vanaf ’t Goude Hooft vertakken ze zich.’

Hij steekt een vinger op.

‘De ene gang loopt helemaal door naar de kelders van de Gevangenpoort. Perfect om ongemerkt gevangenen, documenten of kostbaarheden te verplaatsen.’

Een tweede vinger.

‘En een andere tak loopt onder het Binnenhof door.’

Tekening van het vermeende geheime gangen stelsel onder Den Haag

Hij laat zijn hand weer zakken.

‘Dat waren geen gewone kelders, Jessica. Daar zaten ruimtes die je niet op een plattegrond vindt. Verborgen achter valse bakstenen muren. Opslagplaatsen waar spullen konden verdwijnen zonder dat iemand wist dat ze er ooit geweest waren.’

Jessica kijkt hem onderzoekend aan.

‘Denk je dat de schilderijen daar zijn verstopt?’

Herman grinnikt.

‘Waarom denk je anders dat niemand ze meer kon vinden?’

Hij tikt met zijn knoestige wijsvinger op het tafelblad.

‘Spinoza schreef dingen die de machthebbers liever niet hoorden. En Apollo van Rijn was als schilder én schutter misschien dichter bij bepaalde gebeurtenissen betrokken dan verstandig was. Als je te veel wist, kon het zomaar gebeuren dat je werk ook maar beter kon verdwijnen.’

Hij neemt een slok van zijn drankje.

‘En als je wilt weten hoe ze die spullen uiteindelijk uit de stad kregen...’

Herman kijkt Jessica recht aan.

‘Dan moet je naar de Molenstraat.’

Jessica fronst haar wenkbrauwen.

‘De Molenstraat?’

‘Daar zit een poortje. En achteraan in dat poortje...’

Hij laat een korte stilte vallen.

‘...zit een deur die uitkomt in de Paleistuin.’

Jessica kijkt hem verbaasd aan.

‘Een geheime doorgang?’

‘Geheim?’ Herman lacht zacht. ‘Misschien ooit. Nu weten meer mensen ervan. Maar vraag maar eens aan de gemiddelde Hagenaar waar die deur precies zit.’

Hij schudt zijn hoofd.

‘Die heeft geen idee.’

Herman buigt zich opnieuw naar haar toe.

‘Via die doorgang zijn in 1672 kisten vol gildegeheimen naar de Paleistuin gebracht. Midden in de nacht. Niemand die iets zag. Of iedereen die deed alsof hij niets zag.’

Jessica weet niet goed wat ze van het verhaal moet denken.

Het klinkt als een combinatie van geschiedenis, stadslegende en een flinke dosis fantasie.

Maar één ding blijft hangen.

De Molenstraat.

‘Waarom denk je eigenlijk dat het Haagse schuttersgilde in 1844 hier in de Boterwaag zijn intrek nam?’ vraagt Herman plotseling.

Jessica kijkt hem aan.

‘Omdat ze een nieuw onderkomen nodig hadden?’

‘Dat is het officiële verhaal.’

Herman glimlacht.

‘Een mooie plek in het centrum. Een sociëteit. Vergaderen. Drinken. Gezelligheid.’

Hij schudt langzaam zijn hoofd.

‘Onzin natuurlijk.’

Hij werpt een blik richting de bar en verlaagt opnieuw zijn stem.

‘In de negentiende eeuw begonnen oude stadsarchieven en bouwtekeningen steeds toegankelijker te worden. En toen de binnenstad verder werd verbouwd, bestond er een gevaar dat iemand bij toeval op oude gangen of afgesloten ruimtes zou stuiten.’

Hij tikt met zijn knokkels op het houten tafelblad.

‘Dus wat doe je dan?’

Jessica haalt haar schouders op.

‘Je houdt mensen weg bij die plekken?’

‘Precies.’

Herman knikt tevreden.

‘En wie kun je daar beter voor gebruiken dan een schuttersgilde?’

Hij leunt achterover.

‘De bewakers van de oude geheimen.’

Jessica kijkt naar hem.

‘Dus jij denkt dat ze hier niet kwamen om te vergaderen?’

‘Niet alleen daarom.’

Herman kijkt even naar de vloer.

‘Ze kwamen hier om de wacht te houden.’

Daarna zegt hij niets meer.

Alsof het gesprek daarmee is afgelopen.

Jessica bedankt hem en staat op.

Buiten blijft het verhaal van Herman door haar hoofd spoken.

Ze kan het niet laten.

Ze loopt richting de Molenstraat.

Daar aangekomen ziet ze het poortje waar Herman over sprak. Aan weerszijden zitten verschillende woonhuizen, ieder met zijn eigen voordeur. Niets aan het poortje verraadt dat hier iets bijzonders te vinden zou zijn.

Jessica loopt naar binnen.

Ze passeert de verschillende deuren en loopt verder tot helemaal achterin het poortje.

De geheime doorgang van de Molenstraat naar de Paleistuinen.

Daar staat hij.

'27 x'

'Hier bellen.'

Jessica blijft staan.

Ze kijkt naar de deur.

Dan naar het kleine bordje.

Het is eigenlijk een heel gewone voordeur.

Maar achter deze deur bevindt zich een doorgang die rechtstreeks uitkomt in de Paleistuin.

Jessica drukt op de bel.

Na enkele seconden gaat de deur open.

Ze loopt door een gang, slaat de hoek om en staat plotseling naast het gebouw van de Koninklijke Marechaussee in de Paleistuin.

Drie marechaussees die bij het wachthuisje staan, kijken haar onderzoekend aan.

Jessica voelt zich plotseling ongemakkelijk.

Ze denkt aan Herman.

Aan de gangen.

Aan de kisten.

Aan het schuttersgilde.

En aan de geschiedenis die volgens hem onder haar voeten verborgen ligt.

Ze kijkt nog eenmaal naar de mannen in het blauw en loopt dan terug naar de Molenstraat.

Maar vanaf dat moment kijkt Jessica anders naar Den Haag.

Het Goude Hooft.

Geen herberg meer zoals in de zeventiende eeuw, maar nog steeds een plek waar mensen eten en drinken. Op het terras zitten mensen in de zon. Ze praten, lachen en genieten van hun middag.

Waarschijnlijk heeft niemand van hen enig idee dat ze misschien boven op een stuk Haagse geschiedenis zitten.

Even later loopt Jessica langs het Binnenhof.

Het historische complex wordt op dit moment voor een astronomisch bedrag verbouwd en gerestaureerd. Bouwhekken, steigers en werklieden bepalen het beeld.

Maar wat haar opvalt, zijn de mannen in het blauw.

Er loopt opvallend veel marechaussee rond op een bouwplaats.

Jessica blijft even staan.

Ze kijkt naar het Binnenhof.

Dan naar de marechaussees.

En onwillekeurig denkt ze opnieuw aan Herman.

Misschien is hij inderdaad een oude man die in iedere schaduw een complot ziet.

Waarschijnlijk zelfs.

Maar het verhaal heeft iets in haar losgemaakt.

Want de doorgang bestaat.

Ze heeft hem zojuist zelf gelopen.

De deur is echt.

De Paleistuin is echt.

En de verbinding tussen de twee plaatsen is geen verzonnen verhaal van een oude stamgast in de Boterwaag.

De vraag die haar nu bezighoudt, is een andere.

'Waarom was deze doorgang er ooit?'

En nog belangrijker:

'wat heeft zich in de loop der eeuwen tussen die deur en de Paleistuin afgespeeld?'

Mensen zitten op het terras van het Goude Hooft zonder te beseffen wat er onder hen zich heeft afgespeeld

Let op: De Legende van Apollo van Rijn is een fictief verhaal. Lees meer op de pagina Over dit project.

« Vorige Inhoud Volgende »

Vond je dit leuk om te zien? Meld je aan voor de nieuwsbrief en mis geen enkele update.