Een raadsel in New York
Sommige telefoontjes veranderen de loop van een onderzoek. Dit was er zo één.
Midden in de nacht word ik wakker gebeld. Aan de andere kant van de lijn hoor ik de stem van mevrouw Taylor van The Frick Collection in New York. Ze verontschuldigt zich direct; in haar enthousiasme is ze het tijdsverschil volledig vergeten. Sinds mijn eerdere bezoek aan The Frick Collection hebben we regelmatig contact gehouden. In de museumwereld blijken goede contacten minstens zo waardevol als een goed archief.
Ze vertelt dat het Whitney Museum of American Art momenteel een tentoonstelling organiseert over dieren in de schilderkunst. Op zichzelf niets bijzonders, ware het niet dat er volgens haar twee schilderijen hangen die mijn bijzondere belangstelling verdienen.
Het Whitney staat vooral bekend om zijn indrukwekkende collectie Amerikaanse kunst en de werken van Edward Hopper. Zijn beroemde Nighthawks is overigens niet in New York te zien; daarvoor zou ik naar het Art Institute of Chicago moeten reizen. Toch is mevrouw Taylor ervan overtuigd dat juist het Whitney mij een nieuwe aanwijzing zal opleveren.
Een paar dagen later loop ik opnieuw door de zalen van The Frick Collection. Tot mijn genoegen heeft De Bemiddelaar inmiddels een prachtige plaats gekregen tussen de oude meesters. Na een prettig gesprek met mevrouw Taylor houdt zij haar belofte: zonder veel prijs te geven dringt ze erop aan de volgende ochtend direct naar het Whitney Museum te gaan.
Daar wacht mij een verrassing die ik onmogelijk had kunnen voorspellen.
In de tentoonstellingszaal hangen twee schilderijen die onmiddellijk mijn aandacht trekken. Het eerste toont een Amsterdamse herberg waar drie dieren zwijgend aan de bar zitten. Eén van hen herken ik direct: dezelfde poes die eerder zo nadrukkelijk aanwezig was op Het Meisje met de Parel en Tulband. Hoewel het tafereel duidelijk de sfeer van de zeventiende eeuw ademt, zijn de overeenkomsten met Edward Hoppers Nighthawks uit 1942 bijna onmogelijk te negeren.
Het tweede schilderij roept onmiddellijk herinneringen op aan Hoppers Automat uit 1927. Opnieuw speelt dezelfde poes een opvallende hoofdrol. De compositie, de eenzaamheid en het licht lijken rechtstreeks uit Hoppers werk te zijn overgenomen, terwijl de uitvoering tegelijkertijd onmiskenbaar een klassieke signatuur draagt.
Mijn eerste gedachte is even ongeloofwaardig als verleidelijk: zouden dit onbekende werken van Apollo van Rijn kunnen zijn? Maar dat lijkt onmogelijk. De voorstellingen verwijzen immers naar schilderijen die pas eeuwen later werden gemaakt. Misschien zijn het uitzonderlijk goed geslaagde interpretaties of zelfs meesterlijke vervalsingen. Toch voelt dat antwoord niet bevredigend.
Na afloop van mijn bezoek spreek ik met Rujeko Hockley van het Whitney Museum of American Art af dat beide schilderijen, zodra de tentoonstelling is afgelopen, naar Amsterdam zullen worden overgebracht. Daar kunnen we ze met moderne onderzoekstechnieken grondig onderzoeken.
Het gevoel bekruipt me dat dit onderzoek opnieuw een onverwachte wending gaat nemen. En inmiddels weet ik één ding zeker: bij Apollo van Rijn is niets ooit zo eenvoudig als het op het eerste gezicht lijkt.
Let op: De Legende van Apollo van Rijn is een fictief verhaal. Lees meer op de pagina Over dit project.
Vond je dit leuk om te zien? Meld je aan voor de nieuwsbrief en mis geen enkele update.