De Legende van Apollo van Rijn

De verloren meester teruggevonden

Een mummie in de Ridderzaal

Hoofdstuk 86

“Kun je direct naar me toekomen? En neem je hele team mee.”

Frits klinkt behoorlijk opgewonden door de telefoon. Op mijn vraag wat er aan de hand is, krijg ik een kort en duidelijk antwoord.

“We hebben hem gevonden, dus ik zou maar snel komen.”

Apollo van Rijn heeft dus toch een portret van Maurits van Nassau-Siegen geschilderd en dat is gevonden in het Mauritshuis. Tenminste, dat is het eerste wat door mijn hoofd schiet. Niet veel later zitten we in de Volvo, op weg naar Den Haag.

Benieuwd naar wat we te zien krijgen volgen we de opzichter door de Grenadierspoort naar het Binnenhof.

Anita heeft haar koffertje met de benodigde spullen voor een eerste onderzoek al meegenomen. Jessica zit naast haar en probeert ondertussen uit Frits woorden op te maken wat ons precies te wachten staat.

Als we het kantoor van Frits binnenkomen, staat daar echter geen schilderij op een ezel. Er staat alleen een bouwopzichter en iemand van de Marechaussee.

“Wat is er aan de hand? Waar is het portret?”

Frits kijkt ons even aan. Dan verschijnt er een brede glimlach op zijn gezicht.

“Er is geen portret.”

“Maar je zei dat je hem gevonden had.”

“Dat klopt.”

Hij draait zich om en loopt naar de deur.

“Maar wat we gevonden hebben, is veel interessanter.”

We volgen hem.

Met z’n allen lopen we achter de opzichter aan door de Grenadierspoort, richting het Binnenhof. In een grote bouwkeet krijgen we werkschoenen, een veiligheidsbril, helm en geel hesje aangereikt. Daarna lopen we richting de Ridderzaal.

Tussen steigers door en over houten loopplanken komen we uiteindelijk in een smalle, hoge gang. Nog voordat iemand iets zegt, blijft Jessica abrupt staan.

“Ach nee…”

Voor ons ligt een afgezet gedeelte. Rood-wit lint sluit de gang af. In het midden ligt iets op de vloer dat op het eerste gezicht nauwelijks te herkennen is.

Een gemummificeerd dier.

In de hoek staat een klein kistje.

Schildersspullen.

Jessica zet een paar stappen naar voren.

Bij het vinden van de gemummificeerde weet iedereen zeker dat het om Apollo van Rijn gaat.

“Is dat…?”

Ze stopt.

“Dat moet…”

Weer valt ze stil.

“Jeetje…”

Dan kijkt ze naar mij.

“Ja, hè?”

Ik knik.

Niemand zegt nog iets.

Ook in deze staat is de enorme kat onmiskenbaar. De bouwopzichter heeft geen idee waar hij naar kijkt. Voor ons is het antwoord eigenlijk al duidelijk. Nader onderzoek door Naturalis Biodiversity Center in Leiden zal uitsluitsel moeten geven, maar alles wijst erop dat hier niet zomaar een kat ligt.

Hier ligt Apollo van Rijn.

Driehonderdvijftig jaar na zijn dood zijn niet alleen zijn schilderijen teruggevonden.

Nu hebben we ook de schilder zelf gevonden.

Terwijl wij alleen maar oog hebben voor wat er op de vloer ligt, kijkt Anita naar de muur.

“Wacht eens.”

Ze loopt ernaartoe.

Met een klein kwastje en een doekje begint ze heel voorzichtig een stukje van het oppervlak schoon te maken. Geen grote bewegingen, maar millimeter voor millimeter.

Langzaam verschijnt er iets onder de laag stof en roet.

Een lijn.

Daaronder nog een.

En dan een kleur.

We kijken elkaar aan.

Anita maakt een iets groter stukje schoon.

Nu zien we het allemaal.

Op de muur staat een schildering.

Of beter gezegd: onder eeuwen van vuil en aanslag bevindt zich een enorm schilderij.

Anita kijkt omhoog.

“Dit is geen decoratie.”

“Wat is het dan?” vraag ik.

Ze antwoordt niet meteen.

Ze kijkt naar de muur alsof ze probeert te begrijpen wat ze ziet.

“Zijn laatste werk.”

Ik kijk opnieuw naar de schildering.

Het laatste werk van Apollo van Rijn.

“Waar zijn we hier eigenlijk?” vraag ik aan de bouwopzichter.

Hij wijst naar de muren om ons heen.

“Dit is een dubbele steunmuur achter de Ridderzaal. In de middeleeuwen werd er vaker op die manier gebouwd. Meestal werd de ruimte tussen de muren later volgestort met een mengsel van kalkmortel, puin, grind en grove stenen.”

Hij kijkt naar de smalle gang.

“Ik denk dat ze dat hier niet hebben gedaan. Zo bleef er toegang tot die ondergrondse doorgang.”

Hij wijst naar de muur.

“Maar nee, ik snap wat u wilt vragen. Dit zijn twee steunmuren. Daar kan er niet zomaar eentje van verdwijnen.”

Hij haalt zijn schouders op.

“En eerlijk gezegd denk ik dat de Ridderzaal qua erfgoed toch wel belangrijker is dan een muurschilderingetje.”

Een muurschilderingetje.

Ik kijk naar Anita.

Aan haar gezicht zie ik dat zij precies hetzelfde denkt als ik.

De opzichter beseft duidelijk nog niet dat we hier misschien naar het werk van onze eigen Nederlandse Michelangelo staan te kijken.

Voor Anita heeft het inmiddels lang genoeg geduurd.

“Dit hele gebied wordt vanaf nu afgezet.”

Ze kijkt de opzichter recht aan.

“Niemand komt hier nog zonder uitdrukkelijke toestemming van mij of het Rijksmuseum.”

De man schrikt zichtbaar.

Hij had blijkbaar niet verwacht dat de vondst zo belangrijk kon zijn.

Na de eerdere vondst van resten van een leeuw tijdens de renovatie van het Binnenhof had hij al gedacht dat ze iets bijzonders waren tegengekomen.

Maar dit is van een heel andere orde.

Anita wijst naar de vloer.

“Ik bel Naturalis om Apollo op te halen en verder te onderzoeken.”

Daarna kijkt ze naar de muur.

“En ik wil hier een steiger hebben. Van boven naar beneden. We moeten de volledige schildering zichtbaar maken.”

Ze draait zich naar de opzichter.

“Tijdens het plaatsen wil ik erbij zijn. Deze ruimte is veel te smal om hier zomaar met materiaal rond te gaan slepen. De muur mag onder geen beding beschadigd raken.”

De opzichter knikt nu wat minder zelfverzekerd.

Anita geeft de aanwezige marechaussee opdracht om de verdere beveiliging met zijn meerdere te regelen.

Daarna richt ze zich tot iedereen die aanwezig is.

“Ik heb begrepen dat niet alles wat tijdens de renovatie hier is gevonden naar buiten is gebracht.”

Ze laat een korte stilte vallen.

“Maar deze vondst wil ik voorlopig nog even buiten de openbaarheid houden. We moeten eerst exact weten wat we hier hebben gevonden.”

Niemand spreekt haar tegen.

Voor we weer huiswaarts keren, bespreken we de vondst nog even met Frits in zijn kantoor. Hij zit inmiddels al hardop te bedenken hoe hij dit ooit in zijn rondleidingen kan verwerken.

Ik laat hem maar praten.

Mijn gedachten zijn ergens anders. Een schilder die al eeuwen dood is. Een gemummificeerde kat. Een kistje met schildersspullen. En daarachter een muur waarop zijn laatste werk langzaam uit de duisternis tevoorschijn komt. Een meesterwerk van negen bij drie meter.

Ik kan niet wachten om het volledig te kunnen zien.

Maar Anita waarschuwt ons.

“Een maand,” zegt ze.

“Een maand?”

“Minstens.”

Ze kijkt ons aan.

“Dit gaan we niet even schoonmaken met een doekje. Alles moet laag voor laag gebeuren.”

Een maand.

Na alles wat we hebben meegemaakt, kan die maand er ook nog wel bij.

Want één ding weten we inmiddels zeker.

Apollo van Rijn is niet langer alleen een naam in oude archieven en een handtekening onder schilderijen.

Hij ligt daar, achter de Ridderzaal.

En zijn laatste meesterwerk wacht al driehonderdvijftig jaar op ons.

In gedachten zie ik al een nieuw meesterwerk voor me.

Let op: De Legende van Apollo van Rijn is een fictief verhaal. Lees meer op de pagina Over dit project.

« Vorige Inhoud Volgende »

Vond je dit leuk om te zien? Meld je aan voor de nieuwsbrief en mis geen enkele update.