De man aan de Paviljoensgracht
Hoofdstuk 68
Antoinette en Jessica zitten tegenover elkaar aan de grote tafel. Tussen hen in ligt het kleine, vergeelde vel papier dat Antoinette eerder die ochtend tussen een aantal losse documenten heeft gevonden.
Jessica heeft het al verschillende keren gelezen.
‘Ik blijf het bijzonder vinden,’ zegt ze uiteindelijk. ‘Niet alleen omdat hij schrijft dat de dieren bij hem wonen, maar vooral omdat hij er zo gewoon over schrijft.’
Antoinette kijkt naar het briefje.
‘Wat bedoel je?’
‘Nou…’ Jessica wijst naar de tekst. ‘Vier katten en een hond. Hij schrijft erover alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Geen uitgebreide beschrijving, geen filosofische overpeinzing. Gewoon: ze wonen hier, ze hebben ieder hun eigen aard en we leven met elkaar.’
Antoinette glimlacht.
‘Misschien was dat ook precies hoe hij ernaar keek.’
Jessica draait het velletje voorzichtig om.
‘Maar wie was die man eigenlijk? Ik bedoel… ik weet natuurlijk wie Spinoza was. Filosoof, moeilijke boeken, rare ideeën voor die tijd. Maar verder eigenlijk niet.’
Antoinette leunt iets achterover.
‘Dan is het misschien goed om daar eens bij stil te staan. Want als je wilt begrijpen waarom dit briefje zo bijzonder is, moet je eerst begrijpen wie Benedictus de Spinoza was.’
Ze kijkt nog eens naar het handschrift.
‘En vooral waar hij woonde.’
‘Den Haag?’
‘Den Haag.’
Antoinette legt haar hand naast het papier.
‘Spinoza kwam in 1670 vanuit Voorburg naar Den Haag. Eerst woonde hij korte tijd aan de Stille Veerkade, maar uiteindelijk vond hij een kamer aan de Paviljoensgracht. Een eenvoudige kamer, zeker geen woning die paste bij de reputatie die hij later zou krijgen.’
Jessica kijkt verbaasd.
‘Dus hij woonde gewoon hier?’
‘Ja. En niet alleen gewoon hier. Hij woonde midden in een stad waar op dat moment de politieke toekomst van de Republiek werd bepaald.’
Ze pakt een stoel wat dichter naar zich toe.
‘Je moet je Den Haag in die tijd anders voorstellen dan nu. Natuurlijk waren de straten en gebouwen anders, maar vooral de sfeer was anders. Het was het politieke hart van de Republiek. Hier zaten de Staten van Holland, de Staten-Generaal en de belangrijkste bestuurders. En boven alles hing de spanning tussen twee politieke richtingen.’
‘De prinsgezinden en de staatsgezinden.’
Antoinette knikt.
‘Precies.’
Sinds 1650 was er geen stadhouder geweest in Holland. De macht was vooral in handen gekomen van de stedelijke regenten en de Staten. De staatsgezinden vonden dat de Republiek het best bestuurd kon worden zonder een erfelijke vorst die steeds meer macht naar zich toe kon trekken.
Daar tegenover stonden de prinsgezinden, die juist vonden dat het Huis van Oranje een belangrijke rol moest blijven spelen. Niet alleen vanwege de geschiedenis, maar ook omdat zij in de jonge Willem III een natuurlijke leider zagen.
‘En Johan de Witt zat aan de staatsgezinde kant,’ zegt Jessica.
‘Heel nadrukkelijk.’
Johan de Witt was sinds 1653 raadpensionaris van Holland. Hij was geen koning en ook geen alleenheerser, maar zijn invloed was enorm. Hij bepaalde in hoge mate de politieke koers van het machtigste gewest van de Republiek en daarmee van het land als geheel.
‘En Spinoza?’
Antoinette kijkt haar even aan.
‘Spinoza was geen politicus. Dat is belangrijk. Hij zat niet dagelijks in het Binnenhof en hij maakte geen deel uit van een regering. Maar zijn ideeën raakten wel rechtstreeks aan de politieke strijd van zijn tijd.’
Ze pakt het briefje weer op.
‘Hij geloofde dat mensen vrij moesten kunnen denken. Dat de staat zich niet moest bemoeien met wat iemand in zijn hoofd geloofde. En dat religie en politiek niet zomaar in elkaar geschoven mochten worden.’
Jessica kijkt naar het papier.
‘Dat klinkt tegenwoordig helemaal niet zo bijzonder.’
‘Tegenwoordig niet. Toen wel.’
In 1670 verscheen Spinoza’s *Tractatus Theologico-Politicus*, het *Theologisch-Politiek Traktaat*. Het verscheen anoniem en onder een valse plaatsnaam. Op het titelblad stond Hamburg vermeld, terwijl het boek in werkelijkheid in Amsterdam was gedrukt.
Dat was geen overdreven voorzichtigheid.
Spinoza wist dat zijn ideeën hem in gevaar konden brengen.
Hij schreef over de Bijbel als historisch document, over de verhouding tussen geloof en rede en over de noodzaak van vrijheid om te filosoferen. Zijn conclusie was voor die tijd ronduit revolutionair: een vrije staat moest mensen toestaan te denken wat zij wilden en te zeggen wat zij dachten.
‘Dus hij was eigenlijk een soort voorvechter van vrijheid van meningsuiting?’
‘Dat kun je zeker zo zeggen. Maar het ging hem om meer dan alleen zeggen wat je wilt. Hij probeerde te begrijpen hoe mensen samen konden leven zonder dat angst, geloof of machtswellust de samenleving uit elkaar zouden trekken.’
Antoinette kijkt even naar buiten.
‘En dat is precies waar Den Haag interessant wordt.’
‘Waarom?’
‘Omdat Spinoza hier bijna letterlijk naast het politieke centrum woonde. Hij zat op zijn kamer lenzen te slijpen en filosofie te schrijven, terwijl op korte afstand de bestuurders van de Republiek discussieerden over oorlog, handel, macht en de toekomst van het land.’
Jessica glimlacht.
‘Een beetje vreemde combinatie.’
‘Misschien. Maar juist daardoor is het interessant.’
Antoinette zwijgt even.
‘En er was nog iets.’
‘Wat?’
‘Spinoza stond niet los van de mensen om hem heen. Hij had contacten met geleerden, kunstenaars, bestuurders en andere denkers. Ook met mensen uit de kring rond de gebroeders De Witt waren er verbindingen.’
‘Maar ze dachten wel in dezelfde richting?’
‘Op belangrijke punten wel. Beiden stonden aan de kant van een Republiek waarin erfelijke macht niet vanzelfsprekend boven de burgerlijke overheid stond. En Spinoza verdedigde juist die vrijheid van denken die voor een vrije Republiek van belang was.’
Antoinette legt het briefje voorzichtig terug op tafel.
‘Alleen was Spinoza veel radicaler in zijn denken.’
Jessica kijkt naar de handtekening.
‘Benedictus de Spinoza.’
‘Ja.’
‘En hij woonde hier toen dit geschreven zou zijn?’
‘In 1671 wel.’
Antoinette wijst naar de datum.
‘Veertien december.’
Jessica knikt.
‘En wat gebeurde er toen politiek gezien?’
Antoinette glimlacht flauwtjes.
‘Toen was het nog betrekkelijk rustig. Maar dat was schijn.’
De Republiek was rijk en machtig, maar de internationale verhoudingen veranderden snel. Frankrijk werd steeds sterker onder Lodewijk XIV. Engeland bleef een belangrijke tegenstander en ook de Duitse vorstendommen aan de oostgrens vormden een bedreiging.
Binnen de Republiek groeide ondertussen de discussie over de verdediging van het land.
Johan de Witt had veel vertrouwen in de economische en maritieme kracht van Holland. Maar het landleger was minder indrukwekkend. De prinsgezinden gebruikten dat steeds vaker als argument voor de terugkeer van Willem III.
Een sterke prins van Oranje betekende voor hen bescherming.
Voor de staatsgezinden betekende het mogelijk het einde van de politieke orde die zij hadden opgebouwd.
‘En Spinoza zat daar dus midden tussenin,’ zegt Jessica.
‘Ja. Maar als toeschouwer, schrijver en denker. Niet als bestuurder.’
‘Tot het Rampjaar.’
Antoinette knikt.
‘Tot het Rampjaar.’
In 1672 stortte de rust in.
Frankrijk, Engeland, Münster en Keulen vielen de Republiek aan. De Franse legers trokken snel op en de angst sloeg toe. Het land dat jarenlang zo rijk en machtig had geleken, bleek plotseling kwetsbaar.
De bevolking zocht naar een verklaring.
En naar schuldigen.
De roep om Willem III werd steeds luider. De politieke positie van Johan de Witt brokkelde af. Wat jarenlang een debat tussen staatsgezinden en prinsgezinden was geweest, veranderde in een strijd die steeds emotioneler en gewelddadiger werd.
‘En toen werden Johan en Cornelis de Witt vermoord.’
Antoinette knikt langzaam.
‘Op 20 augustus 1672.’
Ze kijkt naar Jessica.
‘Dat gebeurde hier in Den Haag.’
Even zegt niemand iets.
‘Spinoza woonde toen nog steeds aan de Paviljoensgracht. Hij moet de spanning hebben gevoeld. De stad waarin hij zijn boeken schreef, veranderde in korte tijd in een plaats waar politieke overtuiging levensgevaarlijk kon worden.’
Volgens de overlevering wilde Spinoza na de moord op de gebroeders De Witt een pamflet bij de Gevangenpoort laten aanbrengen met de woorden *Ultimi Barbarorum* — de grootste barbaren. Zijn huisbaas Hendrik van der Spyck wist hem daarvan te weerhouden. Het was te gevaarlijk.
Jessica kijkt naar het kleine briefje.
‘Dus hij was niet iemand die zich zomaar afzijdig hield.’
‘Nee.’
Antoinette schudt haar hoofd.
‘Hij trok zich terug uit de politiek, maar hij trok zich niet terug uit zijn overtuigingen.’
Ze pakt het velletje opnieuw op.
‘En misschien maakt dat dit briefje juist zo interessant.’
Jessica kijkt haar vragend aan.
‘Waarom?’
‘Omdat hier helemaal geen filosoof aan het woord lijkt.’
Ze leest de eerste regels nog eens.
‘Hij schrijft niet over God, de staat of vrijheid. Hij schrijft over dieren. Over katten die hun eigen rust zoeken. Over een hond die hem gezelschap houdt. Over samenleven zonder elkaar lastig te vallen.’
Antoinette glimlacht.
‘Misschien was dat voor hem helemaal niet zo'n klein onderwerp.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Spinoza schreef zijn hele leven over de mens, over emoties, over vrijheid en over de vraag hoe we met elkaar kunnen samenleven. En hier zien we hem opeens iets heel eenvoudigs beschrijven: verschillende wezens die ieder hun eigen aard hebben en toch onder hetzelfde dak kunnen leven.’
Ze kijkt naar Jessica.
‘Misschien is dat wel een veel menselijker beeld van Spinoza dan al die moeilijke filosofische boeken.’
Jessica blijft naar de handtekening kijken.
‘En ondertussen woonde hij dus in Den Haag, vlak bij al die mensen die over de toekomst van de Republiek beslisten.’
‘Ja.’
‘En hij kende Johan de Witt?’
Antoinette denkt even na.
‘Er waren zeker verbindingen tussen hun intellectuele kringen. Maar ik zou het niet groter maken dan we kunnen bewijzen.’
Ze tikt met haar vinger op het briefje.
‘Wat we wél weten, is dat Spinoza in Den Haag woonde. Dat hij in 1670 zijn politieke ideeën al op papier had gezet. Dat hij de staatsgezinde wereld niet vreemd was. En dat hij in 1672 de moord op de gebroeders De Witt als een afschuwelijke daad zag.’
Ze laat het briefje langzaam op tafel zakken.
‘En we weten dat hij in die jaren hier zijn leven leidde.’
Jessica kijkt nog één keer naar de vier katten en de hond die in het briefje worden genoemd.
‘Dan is het eigenlijk helemaal niet zo vreemd dat hij dieren om zich heen had.’
‘Nee.’
Antoinette glimlacht.
‘Misschien had hij tussen al die mensen die voortdurend bezig waren met macht, geloof en politiek juist behoefte aan gezelschap dat nergens over hoefde te discussiëren.’
Jessica lacht zacht.
‘Katten zouden dat inderdaad nooit doen.’
‘Dat denk jij.’
Beiden lachen.
Maar zodra het gelach wegsterft, kijkt Antoinette opnieuw naar het briefje.
Haar blik blijft hangen op de laatste regels.
**Hage, den 14. Decemb. 1671.**
En daaronder de handtekening.
**Benedictus de Spinoza.**
Ze zegt niets meer.
Want hoe langer ze naar het kleine vel papier kijkt, hoe minder het nog voelt als een toevallige aantekening over een paar dieren.
Het was geschreven in Den Haag.
In een huis aan de Paviljoensgracht.
Slechts enkele maanden voordat de Republiek aan de vooravond zou komen te staan van een van de meest dramatische jaren uit haar geschiedenis.
En opeens lijkt het kleine briefje een veel groter verhaal te vertellen dan ze aanvankelijk hadden gedacht.
Let op: De Legende van Apollo van Rijn is een fictief verhaal. Lees meer op de pagina Over dit project.
Vond je dit leuk om te zien? Meld je aan voor de nieuwsbrief en mis geen enkele update.