De Legende van Apollo van Rijn

De verloren meester teruggevonden

Amstel 216

Hoofdstuk 78

Als Jessica, Antoinette en Anita bij me verslag komen uitbrengen, krijg ik voor het eerst het gevoel dat we niet langer zomaar aan het zoeken zijn.

We hebben inmiddels zoveel informatie verzameld dat we gemakkelijk overal aanwijzingen kunnen gaan zien. In oude gebouwen, schilderijen, archieven, kelders en verhalen. Maar daar schieten we niets mee op. We moeten gerichter gaan zoeken.

Een overleg over de stand van zaken en hoe we er in het onderzoek voorstaan..

"Wat zijn de concrete locaties die we nu hebben?" vraag ik.

Ik pak een vel papier en schrijf de namen op terwijl de drie hun bevindingen vertellen.

Als we klaar zijn, staat er een overzicht voor me:

Ik kijk nog eens naar het lijstje.

"Dit is anders dan waar we tot nu toe mee bezig zijn," zeg ik. "We hebben eindelijk concrete plaatsen waar verschillende aanwijzingen bij elkaar komen."

Ik stel voor dat Antoinette zich voorlopig volledig op de Ilpenstein-veiling stort. Uitzoeken wat er met de schilderijen is gebeurd, wie ze heeft verkocht, wie ze heeft gekocht en vooral of er werken tussen zitten die mogelijk verkeerd zijn toegeschreven.

"En wij?"

"Wij gaan op huizenjacht."

Het Bloedhuis lijkt me de beste eerste keuze.

De geschiedenis van het huis kennen we inmiddels. Jacoba Victoria Bartolotti van den Heuvel woonde hier met

Coenraad van Beuningen en juist rond hem hangen de verhalen over de merkwaardige tekens, zijn obsessie voor kabbala en de bloedvlekken op de gevel. Maar voor ons is vooral belangrijk dat het huis er nog staat.

En dat er tegenwoordig mensen wonen.

Het is geen afgesloten museum en geen onbereikbaar archiefstuk.

Via een bevriende makelaar komen we uiteindelijk in contact met de bewoners. Eerst zijn ze terughoudend. Begrijpelijk. Niemand zit te wachten op een groep onderzoekers die beweert dat er mogelijk ergens onder zijn huis een zeventiende-eeuwse schat verborgen ligt.

Tot we vertellen wat we inmiddels weten.

En vooral tot we uitleggen dat het schilderij 'Ferdinand Bol met Pluisje' voor een miljoen euro is verkocht en dat er aanwijzingen zijn dat zich mogelijk nog twee onbekende werken in de verdwenen verzameling bevinden. Dat verandert de zaak.

Niet meteen.

Maar genoeg.

Met de juiste vergunningen en na overleg met de betrokken instanties krijgen we uiteindelijk toestemming om onderzoek te laten uitvoeren. Niet zomaar een kijkje met een metaaldetector, maar serieus onderzoek waarbij, als daar aanleiding toe is, ook delen van de vloer mogen worden verwijderd.

Het duurt bijna drie weken voordat alles geregeld is.

Dan staan we in Amsterdam.

Een gespecialiseerd bedrijf heeft grondradarapparatuur waarmee ze tot wel 15 meter onder de grond kunnen kijken meegenomen. De vloer wordt nauwkeurig onderzocht en op een laptop verschijnt langzaam een beeld van wat zich onder ons bevindt.

Eerst lijkt het helemaal niets.

Dan verschijnt er een donkere rechthoek.

De medewerker schuift met zijn vingers over het scherm en zoomt verder in.

"Hier."

Jessica komt naast me staan.

"Wat is dat?"

"Dat weet ik nog niet."

Hij kijkt nog eens.

"Maar dit is geen natuurlijke structuur."

"Hoe diep?"

Hij controleert de meting.

"Ongeveer vijf meter vijfendertig."

We kijken elkaar aan.

"Een kist?" vraagt Jessica.

De man haalt zijn schouders op.

"Dat zou kunnen."

Dat ene woord is voldoende.

Vanaf dat moment gaat alles snel.

Er wordt overlegd met verschillende partijen. Hoe krijgen we iets van ruim vijf meter diep naar boven zonder het gebouw te beschadigen? Welke delen moeten worden verwijderd? Hoe voorkomen we dat het object tijdens het uitgraven beschadigd raakt?

Uiteindelijk geeft ook het Rijksmuseum toestemming om de kosten van het onderzoek en de berging te dragen.

Graaf werkzaamheden zijn begonnen.

Dan begint het breken en graven.

De eerste laag.

De tweede.

Daaronder oude grond, puin en resten van eerdere verbouwingen.

Het gaat langzaam.

Pas na twee dagen verandert het geluid.

Een doffe klap.

Iedereen stopt.

De archeoloog die vooraan staat, kijkt naar beneden.

"Daar zit iets."

Voorzichtig wordt de grond rondom het object verwijderd.

Eerst verschijnt een hoek.

Donker hout.

Dan een tweede.

En langzaam wordt duidelijk wat er onder de grond verborgen heeft gelegen.

Een kist.

Niemand zegt iets.

Het ding ziet eruit alsof het eeuwenlang op deze plek heeft gewacht.

Het hout is zwaar aangetast. Modder zit tussen de naden en op verschillende plaatsen zijn donkere vlekken zichtbaar. Over het deksel lopen krassen die aanvankelijk nergens op lijken te slaan.

Wanneer de kist voorzichtig wordt schoongemaakt, verschijnen er tekens.

Kruizen.

Mystieke symbolen.

Kabbalistische tekens.

Een oorlogsschip.

En namen.

Jessica buigt zich dichter over het deksel.

Dan verstijft ze.

"Wacht."

Ze wijst naar twee getallen.

Diep in het hout zijn twee cijfersets gekerfd.

501

En daaronder:

342

Ze kijkt naar mij.

"Die heb ik eerder gezien."

"Waar?"

"Hier op de gevel."

Ik begrijp onmiddellijk wat ze bedoelt.

De nummers die ze eerder tijdens haar bezoek aan het huis had gezien.

Maar hier staan ze opnieuw.

Op een kist die ruim vijf meter onder de vloer verborgen heeft gelegen.

Niemand weet nog wat ze betekenen.

En niemand weet waarom ze hier staan.

We kijken naar de kist.

De namen.

De symbolen.

De cijfers.

Dan kijkt Jessica naar het deksel.

"Denk je dat de schilderijen erin zitten?"

Ik geef geen antwoord.

Want dat is precies de vraag die niemand hardop durft te beantwoorden.

Na alles wat we inmiddels hebben gevonden, lijkt het ineens heel goed mogelijk.

Ik kijk naar de anderen.

"Aan wie is de eer?"

Niemand beweegt.

De kist blijft gesloten.

Nog even.

Nu de kist op straat staat kan hij naar het museum gebracht worden.

Let op: De Legende van Apollo van Rijn is een fictief verhaal. Lees meer op de pagina Over dit project.

« Vorige Inhoud Volgende »

Vond je dit leuk om te zien? Meld je aan voor de nieuwsbrief en mis geen enkele update.